Schrijversonderwerp 10  -  decadenfrequent   «10-20-30»  juli 2023

 

 

 

 


Troosteres der Bedroefden

Consolatrix Afflictorvm Ora Pronores

 

 

 

 

  
   
In het tijdvak tussen de twee wereldoorlogen, in de Oosterhoutse Rulstraat, in het huis van het

    gezin Bakx-Vermijs op nr. 34, werd op een dag door het kleine heidense ‘buurmênneke van

    Lodewijks’ van iets verder­op, met belangstelling aan Anna Vermijs gevraagd: “Buure, zeg-is…,

    wie nou is dâ’ vrââwke ûnder dê’ glas dâo’ op den kâs’?”, terwijl het ventje naar boven keek  

    en met gekromd vingertje een Madonna-icoon aanwees die onder een glazen stolp stond. Het is

    mijn grootmoeder Anna Ver­mijs ge­weest, die in de loop van de jaren ’20 hem daarop verscheidene  

    keren geantwoord zal hebben, dat dat haar Grote Wel­doenster was. Met andere woorden zei

    Anna: “Awel, Klaôske, dâ’s nou ìs Ons’-Lief-Vrââwke-vên-Kevelaer. Da’s Maria, den Troos­te­res
    der Bedroefden….”



 

 

 

 

 

 

In het Duitse stadje Kevelaer staan op de Kappellenplatz bouwwerken die alle aan de bedevaart rond Maria gewijd zijn.
Op de linker afbeelding, in het midden, onder het zwevende ‘Gnadenbild’ van Maria staat de zeskantige barokke ‘Gnadenkapelle’
uit 1654 met daaraan verbonden een speciale bidzuil. Binnenin het kleine gebouw staat het Genadebeeld van de
madonna met kind, omhuld met haar extra brede schutsmantel, omschreven als ‘Troosters der Bedroefden’.
Rechts: onderdeel van de Kapellenplatz is de ‘Kerzenkapelle’, de kaarsenkapel (foto rechts)

 

 

 

door Phons Bakx

 

 

Uit één moeder werd ik geboren, maar laat ik daaraan toevoegen dat ik ook uit twee grootmoeders ben voortgekomen. Opvallend is dat mijn beide grootmoeders helemaal geen leeftijdgenoten van elkaar waren, maar onderling 17 jaar verschil­den [1886 1903]. En het zelfde leeftijdsverschil gold voor mijn beide grootvaders [1883 1900]. De jongste van mijn twee grootmoe­ders was van Oost-Vlaamse afkomst en ik heb haar in Zeeuws-Vlaanderen de eerste vierentwintig jaar van mijn leven gekend en mee­gemaakt. Anna Vermijs, de andere oma aan mijn vaders kant uit Noord-Brabant, niet eens één minuut.

Mannelijk dominant

Ik heb altijd een bepaalde belangstelling gevoeld voor de alledaagse leefsfeer in de voor­oorlogse tijd in Nederland, zeker toen al dat geraas van techniek en transport nog tot een minimum beperkt was. Belangstelling voor hoe mensen onderling het leven leidden en deelden, hoe de straten er uitzagen, hoe de mensen door die straten gingen, al of niet zichtbaar torsend met hun dagelijkse last, beslommeringen of met wat-dan-ook op de schouders. Allicht is die nostalgie door de verhalen van mijn vader over zijn jeugd aange­wakkerd, ook al waren zijn verhalen meestal doordrongen van een kinderlijke visie op het eigen leven, dat zich toen volop dynamisch begon te ontwikkelen. Het ging immers over zijn jeugd en die van zijn zeven broers. Die nostagie werd later andermaal versterkt door mijn luistergenot naar oude Nederlandstalige levensliedjes van voor de oorlog: Willy Derby, Louis Davids, Lou Bandy, Jean-Louis Pisuisse en noem maar op. In die liedjes was altijd wel iets te bespeuren van een mannelijke karikatuur die een bepaalde superioriteit uitstraalde ten opzichte van de meisjes, de vrouwen en ook de moeders. Zij werden weggezet als afhankelijken van een gedegen Nederlandse patriarchaat. Ik heb dat altijd erg bepalend gevonden in die oude romantische levensmuziek.

Als jongen die in Zeeuws-Vlaanderen opgroeide, ben ik in Noord-Brabant nooit op die plekken te­rechtgeko­men, die voor mijn vader en zijn Bakx’en-broers van belang zijn geweest in hun persoonlijke vor­ming. Ik heb er vaak over gehoord, maar zelf kwam ik daar niet. Ik heb het met eigen ogen niet tastbaar­der kunnen maken, dan wat het narratief van mijn vader erover vrijgaf. De vertellingen rond de gezamenlijke jeugdtijd van deze acht Bakx-jongens in ‘De Rul‘ zouden later natuurlijk wel aan al de nakomelingen afzonderlijk worden doorgegeven. En één daarvan was ons gezin Bakx-Clyncke. Op vergelijkbare manier kwamen mijn neven en nichten toch wel met dezelfde jeugdverhalen in aanraking. De gezamen­lijkheid die daarin zit, geldt waar­schijn­lijk ook als een van de aller­fraaiste erfenissen die van­uit het Oosterhoutse gezin Bakx-Vermijs aan hun nageslacht kon worden overgedragen, middels hun niet aflatende, enthou­siaste manier van vertellen. Het is beslist dankzij de vertel­capaciteit van mijn vader en zeker ook de bereidwilligheid van mijn moeder om zowat al zijn vertellingen op schrift te zetten, dat ik me hier grotendeels door hun verhaallijnen kan laten leiden.

Dat grote Oosterhoutse levensavontuur gebeurde nog juist in een tijdsgewricht, waarin al die talloze technische vernieu­wingen het leven van alledag nog niet zo in hun greep hadden. Zo schijnt het te zijn gebeurd dat mijn grootvader Godefridus Bakx onmiddellijk zijn hoed en zijn jas heeft gepakt en theatraal op de vlucht sloeg, toen hij voor het eerst in zijn huis een telefoon hoorde rinkelen. De man wou er niets van weten. - In dat vooroorlogse leven bestonden warempel nog steeds de directe mogelijkheden tot pra­ten en handelen met elkaar, met vooral ook hoe onderlinge communi­catie van hu­mor werd voorzien, en ook hoe met humor problemen werden aangepakt. Dat alles werd aan de kant van deze familietak der Oosterhoutse Bakx-en vaak door henzelf zo onderstreept.

Over zijn moeder kwamen vanuit mijn vaders vertelstoel eigenlijk niet zoveel verhalen los, want die waren sowieso al be­volkt met de talloze kwa­jongens­streken van hem en zijn broers, vaak nog anekdotisch aangevuld over hoe hun vader hen daarin keer op keer had te corrigeren. Via de orale overlevering van deze éne Jacobus Cornelis Bakx, mijn vader, leek het vrouwe­lijke statuur binnenshuis vaak niet meer dan een status te hebben van het ‘half onderge­schoven kindje’. Wij leerden de namen van zijn moeder en zijn drie zussen zeker kennen, maar toch werden zij buiten het narratief van de avontuur belevende jongens gehouden. De vrouw was binnenshuis aanwezig, hetzij als baby, dochter, nicht, tante of als moeder, en daar bleef het volgens mij ook grotendeels bij. Natuurlijk zullen er meer vrouwelijke capaciteiten van invloed geweest zijn, alleen werden die vanuit de overlevering mij niet echt bekend.

 

 

1922 – Rulstraat, Oosterhout : een stille straat waarin enkel kinderen te zien zijn. Met zicht op de Sint Jan-basiliek van Oosterhout. Het huis van de fami­lie Bakx-Vermijs staat (niet zicht­baar) in de verte in het midden op de foto, aan de linkerzijde ongeveer waar de toren te zien is. Links de boom vol blader­loof en mijn vader is van april dat jaar, dus zal hij op het moment van de foto, als baby vermoedelijk al aanwezig geweest zijn.
(ansichtkaart, nr 102728 Regionaal Archief Tilburg)

 

 


2022 – Rul­straat, Ooster­hout : een stille straat waarin enkel auto’s te zien zijn. 100 jaar la­ter en onge­veer vanaf dezelf­de plek gefo­to­grafeerd als bovenstaande foto. Met in de verte eveneens zicht op de Sint Jan, nu met puntdak. (foto: Google Earth, © 2022)

 

 

 

 

Clericaal bezoek aan huis

 

Het is juist nu deze ene voor mij onbekend gebleven grootmoeder, Anna Pietronella Vermijs (1886-1953), wiens capaciteit ik hier onder de aandacht wil brengen, temeer ook omdat er via mijn vader toch iets aan geschiedsvertelling door­heen is geglipt. En dat betrof voornamelijk haar devotie voor de religieuze figuur Maria, voor velen bekend als de moeder van Jezus van Nazareth. De informatie over mijn oma uit eerste hand is zeer miniem, waardoor ik niet veel verder kan reiken dan een kenschets over de verleden werkelijkheid destijds. In die zin verschijnt er hier geen essay, maar een tekst die noodzakelijk binnen de randen zal blijven van een opstel. - De begeleidende uitleg van mijn vader maakte duidelijk dat het vooroorlogse Oosterhout waarin hij opgroeide, wel dusdanig door een rooms-katholicistische doctrine was omgeven, dat iedere ingezetene wel te maken kreeg met een of andere bemoeienis vanuit de kerk. Zo benadrukte mijn vader dat de kerkelijke overheid zich impertinent met de dagelijkse gang van zaken kon bemoeien rond de algemene gezinsuit­breiding van de stadsbewoners. Hij liet er zich cynisch over uit, dat een hoog aangestelde clerus het in zijn hoofd kon halen om zonder gêne naar een gezin op pad te gaan, waar volgens de administratieve becijfering van de kerk de afgelopen periode te weinig of geen kinderen ter wereld waren gekomen, terwijl de clerus er vanuit ging dat binnenshuis daar wel de capaciteit toe bestond. Daarover ging zo’n geestelijke dan direct met de jonge ouders in onderhandeling en kaartte de mogelijk­heden en vooruitzichten aan, om de geboortestand zo snel mogelijk weer op peil te brengen. Mijn vader toonde aan zelf geen enkel respect voor de kerk meer te voelen, maar juist hoon jegens dit soort bemoei­zucht.

Al gold zo’n bezoek aan huis misschien als een standaard­handeling, toch kon ik er ook uit opmaken dat Anna Vermijs en haar man Godefridus Bakx (1883-1969) op een bepaald moment zelf met zo’n bezoek aan huis werden ‘vereerd’. Het is me niet bekend hoe in detail de zaken werden uitgelicht, wèl waar het in de kern van het gesprek om draaide: zijn de mogelijkheden wel voldoende benut, zodat de reguliere aanwas van kinderen binnen dit gezin weer kon worden vervolgd. Die indruk deed ik op aan de hand van het feit dat Anna Vermijs, na eerst twee kinderen te hebben gebaard, in de jaren 1918 en 1919 namelijk geen kinderen had voort­gebracht. Uit orale overlevering begreep ik ook, dat oma Anna en opa Fridus op dit aandachtspunt niet helemaal op eenzelfde lijn tot elkaar zaten. Al waren ze van huis uit beiden rooms-katho­liek, het wilde nog niet zeggen dat ze elkaars gelijke waren in godsdienstige vroomheid. De tijd zou later leren dat zich daarin verschillen voordeden. Anna zelf kwam sowieso voort uit een zeer vroom katholiek huishouden. Haar vader heette Karel Vermijs (1856-1941) en hij gold binnen de stadsgemeenschap van Oosterhout als een zeer geziene gast, allicht als aannemer annex metselaar, maar mogelijk nog meer vanwege zijn kapitale bezittingen. Tijdens zijn leven heeft mijn overgrootvader Karel Vermijs al zijn pecunia in huizen weten te investeren, en dan welgeteld in zestien verschillende panden die allemaal in één en dezelfde straat in het centrum van Oosterhout waren gebouwd. Wat mijn vader als slotverhaal over zijn grootvader Karel Vermijs aan ons over­bracht, was dat deze man op het laatste stukje van zijn leven wel zo barmhartig is geweest, om op zijn sterfbed in 1941 per mondelinge commissie op schrift te laten zetten dat al zijn onroerende goederen als geheel aan de Norbertinessenpriorij van Sint Catharina­dal konden worden overgedaan. Dat was een kloostergemeenschap bestaande uit celibatair levende nonnen, die reeds eeuwenlang hun onderkomen hadden in het middel­eeuwse jachtslot ‘De Blauwe Camer’, net buiten Oosterhout. Dat betekende dus dat Karel Vermijs al zijn negen kinderen die hij met Pietje van Bavel had voortgebracht, niets te erven overliet. Allicht dat deze uitweiding over Karel Vermijs van het hoofdonderwerp doet afdwalen, maar het illustreert in elk geval wel hoe in Noord-Brabant de opvatting leefde om in het leven optimaal als gods­vruchtig voor de dag te komen door de clericale instituties op zo’n manier hun voortbestaan te garanderen. Toen het bericht over Vermijs zijn nalatenschap – het was tijdens de Duitse bezetting – loskwam, deed dat binnen de familiaire betrekkingen natuurlijk erg veel stof opwaaien. Want ieder­een had vanwege die eeuwenoude doctrines al heel wat te stellen met flinke gezinsuitbreidingen en daarom waren erfgelden en te verdelen onroerende goederen door eenieder zeer adequaat te besteden. Mijn vader maakte duidelijk dat het voor zijn beide ouders een ongelofelijke klap in hun gezicht betekende, om door een zeer vermogende gezinsvader zo opzettelijk over het hoofd te worden gezien.

 

Geschiedkundig reconstrueren

 

 

 

Anna Vermijs (1886-1953),
mijn ‘onbekend gebleven’ grootmoeder

 

Het leek mij, als één van haar dertien postuum geboren kleinzonen, nog niet eens zo vreemd om eerst goed na te denken over hoe haar leven in grote lijnen er praktisch uitgezien zou kunnen hebben. Dat leven kreeg vanaf 1915 zijn eerste beloop in een huwelijk met Godefridus Bakx. Uit bron van mijn vader weet ik dat zijn vader, voordat hij met Anna trouwde, een opleiding als beroepsmilitair heeft gevolgd, die hij tijdens een langdurig verblijf in Limburg heeft afgerond. Maar in die zelfde tijd nam de internationale oorlogs­dreiging over Europa steeds grotere vormen aan, waardoor de natio­nale legers hun aan­tallen aan inzetbare strijd­krach­ten ook steeds meer begonnen op te voeren. Maar ondanks die gegeven situatie heeft de landelijke oproep tot Algemene Mobilisatie in juli 1914 van Godefridus Bakx, juist hem tot het keerpunt gebracht, waarbij hij zijn positie als beroeps­militair niet langer heeft willen aanhouden. Al viel hij onder de klasses van dienst­plich­tigen uit het jaar 1902 of 1903, kennelijk heeft hij zich niet bij de mobilisatie­krachten willen aanslui­ten die aan de zuidelijke en oostelijke landsgrenzen van Nederland in meerdering werden ge­bracht. Zijn motivatie om uiteindelijk niet langer in het leger te willen dienen, is me niet bekend, maar er is me wel diverse keren verteld dat Godefridus strategisch een zeer kundig man was. Mogelijk heeft hij van daaruit zijn besluit opgemaakt. Maar ik kan ook niet zeggen, of hij bijvoor­beeld voor een pacifis­tische opstelling heeft willen kiezen, waardoor hij zich niet langer met de politieke ontwikkelingen heeft kunnen verenigen. Beroeps­soldaat worden en pacifis­tisch de wereld inkijken lijkt me daarentegen ook geen goed samenpakkende combi­natie. Of misschien was hij doodsbang om in een militaire strijd terecht te moeten komen en daarin te sneuvelen. Hoe het ook precies zat, in 1914 keerde hij zijn soldaten­bestaan definitief de rug toe en zou hij zich opnieuw in zijn geboortestad Oos­terhout vestigen, waar hij op 21 okto­ber 1915 met Anna Vermijs trouwde. Vervol­gens betrok hij met haar het huis in Rul­straat 34. Hij nam zijn oude stiel als metselaar annex bouw­vakker weer op en werd kostwinner. Intussen was buiten de Neder­land­se landsgrenzen de Groote Oorlog al in volle gang.

 

 

In juli 1916 verwelkomden Anna en Fridus hun eerste zoon Petrus Karel, mij beter bekend als ome Piet. Anderhalf jaar later, in december 1917, kwam hun tweede zoon, Karel Adrianus, kortweg ome Karel. Dan volgt dat stukje van waaruit ik opmaak dat het gezin Bakx-Vermijs vanuit de kerk bezoek aan huis heeft gekregen. Zoals ik al zei, stuitte ik op het gegeven dat oma Anna in de eerstvolgende jaren 1918 en 1919 namelijk geen kind ter wereld had gebracht. Dat zou pas op 1 februari 1920 weer wel het geval zijn, toen zij haar derde zoon Johannes Henricus (ome Jan) kreeg, nota bene op de dag dat ze zelf 34 zou worden. Dat clericale bezoek aan huis zou ik volgens eigen inschatting in de einddagen van december 1918 of anders begin 1919 traceren, toen haar zoon Karel al meer dan één jaar oud was. Vanuit de kerk bleek het hoog tijd om bij de vrouw des huizes te rade te gaan waardoor het laatstlede jaar bij haar geen nieuw kind was geboren. En uit dat bezoek ter plekke werd meteen ook duidelijk dat er geen vooruitzicht bestond dat er al een derde kind in aantocht was.

Ik kan me indenken dat het bezoek door een kerkelijke zielverzorger op Rulstraat 34 op Anna veel indruk zal hebben gemaakt, en dat zij misschien direct al vanuit een quasi-schuldgevoel zichzelf begon af te vragen waarom zij geen gelijke tred had weten te houden met de richtlijnen van de orde der kerk. Waarschijnlijk lag er voor haar al een uitnodiging op tafel klaar, om de zaken opnieuw te bekijken zodat ze gauw een derde kind zou krijgen. Zeer plausibel dat haar daartoe ook een aantal opties werden aangereikt. Er waren verschil­lende wegen te bewandelen om opnieuw tot dat doel te komen, maar blijkbaar werd er één als meest optimale aanbevolen, waar Anna in de eerstkomende meimaand (van 1919) al direct gebruik van kon maken. Deze gold als de verering van de toegewijde ‘Troosteres der Bedroef­den’, die ieder die de innerlijke levenswens van zichzelf nog niet in vervulling had zien gaan, op dat punt de helpende hand werd geboden. Het onderdeel van het jaarlijks kinderen krijgen had hier dus alles mee te maken.

 

Anna Vermijs kreeg de aanbeveling een bedevaartreis te maken naar een van de Mariabede­vaartplaatsen in de Lage Landen. Vanuit praktisch oogpunt kon dat een nachtelijke voettocht inhouden naar Scherpenheuvel in de Kempen, of anders een tocht naar Kortenbos, waar de Maagd Maria altijd geëvoceerd werd ‘Ter Behoudenis der Kranken’. Ook waren er gewijde locaties ter ere van haar in ’s-Herto­genbosch, Maastricht, Renkum, Heiloo en Warfhuizen, maar meest aan haar doel beantwoor­dend was een bezoek aan de ‘Gnadekapelle’ in de bedevaartplaats van Kevelaer, dat aan de oostelijke oever lag van de Maas in Duits­land. Vanuit Rotter­dam en een aantal Brabantse steden werd één keer per jaar een autobusreis daarheen georgani­seerd. - Er kwamen nog meer devotionalia in aanmerking. Op naam van paus Benedictus XV had eerder al het advies geklonken dat de devotie tot Maria kon worden geïntensiveerd door het frequent bidden van de rozen­krans en de zogeheten ‘Geden­king’ oftewel de ‘Memorare’. Ook het dagelijks inachtnemen van het Engel-des-Heren zou haar belang dienen, omdat de herhaaldelijke gebedsspreu­ken en weesgegroetjes allemaal aan Maria waren geadres­seerd. Dan waren er nog de smeekbedes tot Maria, maar die kregen pas hun actuele uitwerking tijdens de dag van de bedevaartproces­sie zelf. Natuurlijk gold een Mariabeeldje in huis met haar kindje Jezus op schoot als een te prijzen zaak, zeker als er dan in de maand mei nog een kaarsje bij werd aangestoken en een klein bloemetje naast werd gezet.

 

Titels van Maria


Wat kon Anna omtrent de ‘titelatuur’ rond Maria op haar pad verwachten als ze naar het bedevaartsoord Kevelaer toeging? Ten eerste werd Maria gezien als de meest vereerde heilige binnen het hele mondiale rooms-katholicisme, omdat ze als moeder van Jezus van Nazareth tevens in aanmerking kwam de ‘Moeder van God’ te zijn. Ook bestond er een titel rond haar ‘Onbevlekte Ontvangenis’, en ik heb dat zelf altijd simpelweg geïnterpreteerd dat ze ‘zonder enige bevlekking’ hier of daar zwanger is geraakt. Zeg maar: het conceptum sine semine. Mijn opvatting hieromtrent blijkt onjuist te zijn. Het ging hier om de Maag­delijke Geboorte van Jezus en dat heeft haar al vanaf de zesde eeuw de titel als Maria Gravida opgeleverd, oftewel de ‘zwangere Maria’ met de uiterst sierlijke toekenning dat God ‘haar baar­moeder ruimtelijker heeft gemaakt dan alle hemelen tesamen’. Vandaar dat de schare gelovigen op aarde ook zo immens groot mocht zijn.
In de lithaniëen gewijd aan Maria werden veel titels en epithetonnen aan haar verbonden. Je kunt het zo gek niet bedenken, of er loopt wel een denkbeeldig lijntje richting haar kosmogonisch aanzien. Toch vermoed ik dat er uit de hele titelatuur rond Maria maar een enkele op Anna Vermijs van toepassing zal zijn geweest, want eigenlijk moest ze alleen maar gebruik zien te maken van het perspectief om opnieuw zwanger te worden. Punt. En binnen die devotie bleek de Maria van Kevelaer duidelijk een allerbelangrijke rol te hebben gespeeld, uitgelegd als de onvoorwaardelijke ‘Troosteres der Bedroefden’. Ik kon niet nalaten even te kijken naar mogelijke vertalingen omtrent de latijnse toekenning die ervoor stond, namelijk Consolatrix Afflictorum Ora Pronores. Ik was eigenlijk verbaasd daarin iets te mogen herkennen van ‘troostbie­dende aan hen met gekantelde mondstand’. Ik zeg: maar een uitleg als dit kan toch niet waar zijn? En al is het van mijn kant verkeerd opgevat, toch is het prachtig om te zien dat ‘bedroefdheid’ in taal kan worden uitgedrukt als de ‘menselijke mond in gekantelde stand’. Neem het me kwalijk of niet, maar ik vind zoiets méér dan prachtig.

 

 

Maria Gravida from the collection of Blackfriars Gallery and Library |  Artwork Archive

 

 

Links: Maria Gravida naar een origineel uit 1300, ofwel ‘La Vièrge ouvrante’, beeld uit Trutzhain, Noord-Hessen in Duitsland (foto: Blackfairs, Gall. & Libr., Berkeley, California) – een ontwerp waar de Russische volkskunsttraditie van de rijvormende ‘Matryoshka’ ook ten grondlag aan lag.

 


In haar huwelijk met Godefridus Bakx zou Anna Vermijs duidelijk tot een vrouw met een gedreven Maria-devotie uitgroeien, meest evident zichtbaar gemaakt in de maand mei, want dat is de Maria-maand. Dan concentreerden zich (voornamelijk) vrou­wen uit Zeeuws-Vlaan­deren, West-Brabant en het West­­land, maar ook steden als Breda, Roosen­daal en Rotterdam, op de geza­menlijke dagreis in touringcar-bussen op weg naar het Duitse stadje Kevelaer in Noordrijn-West­falen. Men sprak erover dat tijdens het interbellum, soms zes tot acht bussen voor die éne dag vanuit westelijke richting daarheen reden.
Tot mijn verheugenis trof ik in het digitale bestand van het Regionaal Archief Tilburg twee foto’s aan, die vermeld stonden als ‘pelgrimsdelegaties uit de Brabantse stad Oosterhout’. Het jaartal is 1928, en volgens mijn calculatie naar de levensloop van oma Anna, liep zij in verscheidene jaargangen tussen 1919 en 1929 mee, maar als ik het vizier op scherp stel, sloeg zij bepaalde jaren ook over, natuurlijk omdat ze reeds (hoog)zwanger was. Mijn berekening geeft aan dat Anna in mei 1928 van haar tiende kind, dochtertje Riet, zwanger was en dat ze mogelijk om die reden een bedevaarttocht zou kunnen hebben overgeslagen. Want…, tja, wie gaat als zwangere immers op bedevaart, in de smeekbede zwanger te mogen worden?

 


Boven: 1928, aangekomen pelgrims in een straat van Kevelaer. De processie werd
voornamelijk door vrouwen gevormd. Hier in beeld een groep vrouwen uit Oosterhout.
(foto: nr 100213, Regionaal Archief Tilburg)

 

 


1928. Rijvorming in de Maria-processie op weg naar de ‘Gnadekapel’ in Kevelaer, met hier
vooraan een aantal vrouwen uit Oosterhout. In zover het door mijn vader werd overgebriefd, ging
het hen er allemaal om dat ze spoedig een kind konden krijgen. (foto: nr 100212, Regionaal Archief Tilburg)

 

 

 

Een rijvorming ‘om kiendjes te kunne kœûpe!’*

 

Omdat ik zo weinig over oma Bakx-Vermijs weet, voel ik me genoodzaakt om aan de hand van bereke­ningen en gevolg­trekkingen, iets meer over haar en haar opgroeiende gezin te weten te komen. Daarin breng ik het volgende al naar voren: Fridus Bakx en Anna Vermijs kregen tussen 1916 en 1930 in totaal elf kinderen. Het lijkt me absoluut geen kleinigheidje voor een vrouw om tussen haar 30e en 44e elf keer van een kind te bevallen (in zover mij bekend werd er geen kind doodgeboren of kwam er geen kind jong te overlijden). Daarbij teken ik ook aan, dat ik zelf ben opgegroeid met de kennisgeving dat het voor een vrouw niet raadzaam was om een kind te krijgen na haar 36e.

Wederom schakel ik de teller in: Anna Vermijs was 29 jaar toen ze trouwde en kreeg haar eerste kind op haar 30e. Haar tweede kind kwam op haar 31e. Dan 25 maanden (oftewel twee zwangerschappen) niets. Zij kreeg haar derde kind als verjaardagsgeschenk toen ze 34 werd. Dan heeft Anna een kind gekregen op haar 35e, op haar 36e, op haar 37e, op haar 38e en op haar 39e. Ze kreeg haar eerste dochter pas op haar 41e, haar tweede dochter op haar 42e en ten slotte haar laatste dochter op haar 44e. Is een moederlichaam uiteindelijk dan niet helemaal uitgeput, zo vraag ik me af?

Tevens geldt deze opsomming als het overgrote deel van de biologische opbrengst van Anna haar Maria-devotie, die ze in 1919 inzette. Het kinderen krijgen verliep voor Anna als het ware in twee clusters: eerst acht jongens op rij, daarna nog eens drie meisjes er achteraan. Hieronder bijgaand twee mooie foto’s van die clusters, waarvan een vóór en een ná de dood van Anna werd gemaakt.

 


 

Rijvorming: Godefridus Bakx (links) met zijn acht zonen.
vlnr: 1883, 1916, 1917, 1920, 1921, 1922, 1923, 1925 en 1926
(foto uit 1956)

 

 



Drie meisjes, later nagekomen in het gezin Bakx-Vermijs.
vlnr: 1930, 1927 en 1928
(foto: omstreeks 1946)

 

 

 

 

Alle kinderen van het gezin Bakx-Vermijs in hun achtertuin bijeen op Rulstraat 34, Oosterhout (de foto dateert uit 1933)

Vlnr: achteraan de drie oudste zonen Jan (1920), Karel (1917) en Piet (1916). De rij daarvoor: Peet (1923), Sjaak (1922), Janus (1921).
De twee meisjes daarvoor: Riet (1928) en Annie (1927). Zittend vooraan: Jo (1925), Nellie (1930) en Kees (1926).

 

 

Anneke Bakx (mijn zus) en ik hebben haar nooit als oma mee kun­nen maken, want ze stierf één jaar voor Anneke’s geboorte en drie jaar voor mijn aanwezigheid. Door de tijd heen heb ik wel de indruk opgedaan, dat zij een ietwat zwijgzame vrouw moet zijn geweest, zo men zei ‘zachtmoedig, lief en vriendelijk van aard’, en feitelijk altijd op de achtergrond aanwezig van het turbulent doorgaande gezinsleven. Als moeder heeft zij eigenlijk nergens haar eigen stempel hard op doorgedrukt. Ze moet zeer meegaand en volgzaam zijn geweest in een voor­namelijk door mannen gedomineerd leef­­atmos­feertje binnen vier muren. Er woonden daar negen mannen en vier vrouwen.
Het is waarschijnlijk juist in de tijd na haar laatste bevalling, dat ik nog het minst over oma Anna te weten ben gekomen. Ik ben geneigd ervan uit te gaan, dat ze haar devotie voor Maria in dat tijdvak heeft laten afzwakken, omdat ze na haar 44e niet meer in actie kwam om nog een kind te willen baren. Maar na al die jaren van baren breekt alsnog volop de tijd aan van het meervoudige en lang­durige moederschap. Toen zij met zuigeling Nellie op schoot zat, kropen daar ook een peuter en een kleuter om haar heen van twee en drie jaar, terwijl de aanwezigheid van de jongens er al meer op gericht was wat er buiten de deur gebeurde. Piet, de oudste, was toen al veertien en Kees, de jongste, een goeie vier jaar. De anderen ertussen gingen naar school, voetbalden, speelden urenlang buiten en richtten hun levensavontuur steeds vaker buiten ‘De Rul’, de naam die ze aan hun straat gaven.

 



Anna Pietronella Bakx-Vermijs, portretfoto op latere leeftijd.

Volop moeder en postuum nog vaker grootmoeder.

(foto: coll. familie Bakx-Clyncke)

 

 

Grootmoeder Anna Vermijs

 

Als gevolg van haar moederschap kreeg Anna Vermijs veel later natuurlijk volop met het groot­moederschap te maken, zij het in haar geval toch maar voor een klein deel. In 1947 werd zij voor het eerst grootmoeder via haar derde zoon Jan. Over de zes jaar die daarna volgden, ga ik er vanuit dat Anna waarschijnlijk nog 5 of 6 keer heeft kunnen vernemen dat ze meermaals grootmoeder was gewor­den, inclusief het bericht over een doodgeboren kind bij haar zoon Jacques te Sluis in de zomer van 1952. Ik ben niet op de hoogte of zij haar klein­kin­deren in die laatste jaren van haar leven ook persoonlijk heeft bezocht, maar ik twijfel er niet aan dat zij dat in de meeste gevallen wel heeft gedaan indien ze kon.

Voor oma Anna Bakx-Vermijs kwam na een relatief kort ziekbed in een Breda’s gasthuis, op 15 oktober 1953 het moment dat ze voorgoed haar ogen zou sluiten. Ze is 67 jaar geworden.

Vijf weken eerder stierf er een jongere broer van opa, die even­als oma 67 jaar werd. Ik weet van opa Godefridus, dat hij na het sterven van zijn vrouw eigenlijk niet graag meer alleen in het huis van Rulstraat 34 wilde blijven, en dat hij daarom vaak voor lange­re tijd erop uittrok. Omdat hij op zijn 70e nog fit en vitaal was en voordien altijd als metselaaar en bouwvakker had gewerkt, ging hij regelmatig naar Zeeuws-Vlaanderen waar hij sinds de jaren ’50 drie zonen had wonen, voor wie hij regelmatig karweitjes deed aan het interieur van hun behuizing of wat dan ook. Later nadien zou zijn jongste zoon Kees met zijn vrouw Toos het pand nr. 34 betrekken, terwijl opa Godefridus verhuisde naar het pand ernaast, nr. 36. Daar heb ik hem enkele malen met mijn ouders ook nog opge­zocht.

 

Gode­fridus, die als echtgenoot kennelijk “op afstand” is blijven toezien wat het Maria van Kevelaer-beeldje onder de glas­stolp op de kast in al die jaren aan invloed op zijn vrouw had uitgeoefend, maakte na het overlijden van Anna aan zijn zoon Jacques kenbaar, dat hij zichzelf als eerste opdracht had gegeven om dat ‘Gnade’-beeldje van Maria voor eens en voorgoed, genadeloos in een grote vuilnisbak ‘weg te keilen’, zo hij het zelf noemde. Daaruit valt op te maken dat hij vanuit zijn vader­lijke positie binnen zijn gezin, het door de jaren heen zeker niet hoog op heeft gehad met hoe belangrijk Maria van Kevelaer voor zijn vrouw wel niet geweest moet zijn. Ik ben geneigd te veronderstellen dat er zelfs weinig tot geen spirituele over­brug­ging uit zijn houding sprak tot het innige geloof van zijn vrouw, die met haar Maria-verering alleen maar haar eigen vrouwelijk-moederlijke krachten optimaal heeft willen exploiteren, door het kosmogonisch beginsel van haar eigen vrouwzijn op die manier symbolisch te ondersteunen. Het bewijs daartoe heeft ze onomstotelijk geleverd doordat er jaar na jaar, twee plus negen afzonderlijke nieuwe wezens in haar huis terecht waren gekomen. Maar, zoals ik reeds aangaf, is er op een of andere manier altijd een tegendruk werkzaam geweest, een bepaalde dominantie van de man die haar Maria-verering alleen maar heeft willen wegduwen. Als een van Anna’s kleinzonen heb ik zelfs het vermoe­den, dat het maken van een spirituele over­brugging tot de vrouwelijkheid in dit huis niet echt een reguliere aangelegenheid zal zijn geweest. Uit naam van tien kinderen van Anna kan en mag ik niet spreken, omdat ik niets van hun interne leefsituatie afweet. Maar wel kan ik spreken over één van de elf kinderen die ik achttien jaar lang dagelijks intensief heb mogen meemaken. Dat was Jacques, mijn vader. Ik weet hoe slecht deze man in staat is gebleken om maar enigszins een waardige spirituele overbrugging tot zijn eigen vrouw te creëren. En dat is hem volgens zijn eigen inzicht ook niet gelukt. Zesentwintig jaar lang heeft hij de schuld daarvan bij zijn eigen vrouw neergelegd. Alstublieft! Nu mezelf hier bij dit heikel onderwerp betrekkend, kan ik zeggen dat ik het van hem ook niet heb geleerd. Ik heb van hem eigenlijk alleen maar geleerd tegen­draads te handelen. Voluit. Ik ben dan ook voortreffelijk geslaagd als een maatschappelijk beknelde man. Ik durf over mijn eigen jeugd uit te spreken dat er een vader aanwezig is geweest die beslist niet veel vrouwvrien­delijkheid aan de dag heeft weten te leggen, ook al was hij uiterst vriendelijk, graag gezien en een humoristische persoon voor anderen. Ik wil ermee aangeven dat het bij hem altijd blijvend voelbaar is geweest, dat die bepaalde mannelijkheid in zijn jeugd zo dominant aanwezig moet zijn geweest. Opa Godefridus heeft terzijnertijd nog aan mijn moeder te kennen gegeven, dat Jacques op dit punt ‘inderdaad de allermoeilijkste van alle­maal’ was, wat voor ons gezin direct te vertalen viel als ‘de meest problematische’. Ik prijs me gelukkig over het feit dat ik hem nooit heb gehaat. Ondanks dat verleden kan ik mijn vader het eerbetoon geven over wat hem in positieve zin is toege­komen, bijvoorbeeld als jonge sporter en dan vooral als voetballer en als ongeëvenaard zwemmer. Ik ben inmiddels heel wat respect­voller geworden jegens al zijn teken- en schildersactiviteiten, maar het meest van al nog steek ik hem naar de kroon waar hij ‘een man van de waterkant’ is geweest, met al zijn hengels, visnetten, fuiken, aquariums, kweekbakken, herbariums, visvoeders, snoeklijnen en zijn palingpeurderij. Werkend vanaf de waterkant en vanuit zijn vierkante vissersboot op het kreekwater in de meest genadige stilte van de natuur. Ja, eigenlijk zo devoot! Ja, fantastisch voor mij om ook zo’n vader te hebben gekend.

 

 

Eerbetoon aan oma Bakx-Vermijs

 

Het is zeker markant om over het verdere verloop van het gezin Bakx-Vermijs nog te mogen ontdek­ken, dat Godefridus als alleen­staan­de weduwnaar, vanaf Anna’s dood in 1953, het in zijn eentje alsnog heeft mogen meemaken dat hij nòg 30 keer grootvader werd van in totaal 36 klein­kin­deren. Dat is wat het familiaire nalatenschap laat zien. En daarin zal ongetwijfeld de richtlijn rond de Maria-verering zeker een actief onderdeel vanuit hebben gemaakt. Selec­teer ik het een en ander uit, dan zie ik algauw dat de drie Bakx-meisjes samen 17 kinderen ter wereld hebben gebracht, waarvan 14 meisjes en 3 jongens. Daar tegenover staat dat de acht Bakx-jongens tesamen 19 kinderen voortbrachten, verdeeld in 9 meisjes en 10 jongens. Het is alsof de energie rond de Maria-devotie van hun moeder bij de Bakx-meisjes verder in hun generatie heeft kunnen door­dringen, dan bij de jongens. Een toeval­ligheid zie ik daar niet zomaar in. 

Intussen zijn wij, ‘verre’ Bakx-neven en Bakx-nichten, allemaal 70 jaar later na de laatste levensdag van oma Anna Vermijs, en 54 jaar na de eerste sterfdag van Godefridus Bakx. Het zijn indrukwekkende getallen die hier zomaar over de generaties kunnen worden uitgestrooid. Van tijd tot tijd komt de eerste generatie kleinkinderen dan ook bij elkaar, zoals in de zomer van 2009 (foto). Op dat moment leefden er in totaal nog 34 van de 36 kleinkinderen. Inmiddels is dat verminderd tot 32.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  Tot besluit: hierboven de familie-bijeenkomst van 25 kleinkinderen van Anna Vermijs en Godefridus Bakx in 2009.
        Er ontbraken in dat gezelschap 9 kleinkinderen, die dan ook niet voor de foto hebben geposseerd.

                   En voor een tikkeltje meer dynamiek, gelieve de foto hierboven even aanklikken

 

 

 

 

 

 

 

voor informatie,
met dank aan
Tom Bakx (Boxtel)

 

 

 

Dit schrijversonderwerp werd ontleend aan een stapel mémoires over
het gezin Bakx-Clyncke, waartoe Phons Bakx zelf behoort en waarvan hij momenteel het
laatst levende gezinslid is. De mémoires worden door hem in de nabije toekomst
uitgeschreven om ze aan zijn nakomelingen, in rijen van één-persoon, over te dragen
en hen te informeren over wie nu wie was binnen de vroegere families,
en die zij veelal als ((over)groot)ouder niet meer hebben gekend.

 

 

 

 NOTEN

* ‘Om kindjes te kunnen kopen!’,
   een toedekkend taalgebruik, voornamelijk
   voor ‘kinderen te kunnen krijgen’.

 

 

MEER SCHRIJFONDERWERPEN
(allemaal onderling verbonden)

VOOR MEER SCHRIJVERSONDERWERPEN KLIK HIER