Klanken van binnenuit

de mondholte

 
Etnomusicologie, oftewel een samenwerkings­verband 
tussen radiomensen, documentalisten, tropenartsen en
papua’s uit het binnenland van Nieuw Guinea.
 
                                                              Naar aanleiding van het uitgebreide radioprogramma ‘Musique du Monde’ 
                                       van Michel Goedart, gewijd aan mondharp-  en andere muziek uit Papua
                                       Niu Gini. Ter nagedachtenis van het opnamewerk van de Australische
                                       epidemioloog prof. emer. Robert MacLennan (1931-2013).
 
 
door: Phons Bakx
 
  Zelf weet ik niet meer precies hoe het contact tussen Robert MacLennan, een Australische epidemioloog uit Queensland, en mij tot stand is gekomen. Wel weet ik dat ik tijdens een veldopnamereis in 1991 door de Schotse Laaglanden de volksmusicus Lindsay Porteous ontmoette, die me op een bijzondere LP-geluidsopname wees. Het was een uitgave van de bekende BBC-radio diskjockey PrimaryJohn Peel, die al zijn lievelingsopnamen op een langspeler bijeen had gebracht. 
Daarop bevond zich de zeldzame «Live Beetle Jew’s harp» van een papua uit East-Sepik (Nieuw Guinea). Hierna weet ik de verdere schakels even niet meer te herinneren, maar wel dat ik die opname heb gedraaid in het vijfde uur tijdens de acht uur durende «Mondharp Radiodag» met Walter Slosse op VPRO Radio 4  op 30 april 1992, waarvoor ik in Schotland ook veldopnamewerk had verricht. Vrij kort na die radio-uitzending kreeg ik in Middelburg terloops een ontmoeting met dokter Hans Gerrits, toen nog werkzaam op het ‘Zeehospitium Zonneveld’ in Domburg. Hans sprak me aan over de vroegere reizen die hij met zijn broer Fred had gemaakt door de Indonesische Archipel en Nederlands Nieuw Guinea, en waar ze vrij lang parafernalia van de papua’s hadden ingezameld voor de musea en opslag­depots van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en  Volkenkunde in Leiden. 

Hans zei tegen me dat daar veel mondharpen tussen zaten, alsook veel zoemhouten of snorrebotten. Ik heb daar later uiteraard veel van terug gezien in de laden van de opslagzolder van het Tropenmuseum in Amsterdam. Dezelfde zomer nog van 1992 zou Fred Gerrits, die als medisch specialist tuberculose en lepra voor de WHO op Papua Nieuw Guinea werkte, naar zijn broer  in Middelburg komen en ook ik kreeg hem te ontmoeten. Fred woonde al jarenlang in Australië en peddelde heen en weer tussen thuis en zijn werk bij de verschillende Papua’s stammen. Maar in tussentijd had ik toen al contact gekregen met dr. prof. Robert MacLennan, en ik vertelde dat aan Fred Gerrits. Hij moest een hele lange lijn van vage herinneringen in zichzelf terughalen en uiteindelijk kwam het binnen een halfuur boven drijven dat hij Robert MacLennan inderdaad verschei­dene keren had ontmoet in het hospitaal in Maprik District van East-Sepik. Beide hadden een aanstelling als Medisch Controlerend Officier in East-Sepik. Gerrits namens de World Health Organisation, MacLennan eigenlijk meer als chirurg, maar voordien ook in zijn taak om met Shirley Glasse onderzoek te doen naar het ernstige verschijnsel ‘kuru’, zeg maar de gekke-koeienziekte onder de papua’s als mogelijk gevolg van hun ritueel kannibalisme. 
 

 

 

 

Dr. Fred Gerrits (1933-2019) was naast zijn medisch vakgebied ook een geïnteresseerd determinator en verzamelaar van vlinders en insecten (entomologie) in Niu Gini, alsook een geïnteresseerde in antropologie.

 

Levende kevers als boventooninstrument

 

Ik vertelde Fred Gerrits over de opname van de kever die een papua vlakbij zijn getuite mond hield om vanwege de zoemtoon van het insect een boventoonmelodie te maken. Toen keerde na dertig jaar of zo, bij Fred alles weer terug in de herinnering, en wist hij me te vertellen dat hijzelf door Robert MacLennan inderdaad was gevraagd om op zijn reizen door het oud-equatoriale woud uit te kijken naar dat speciale klankritueel met levende torren. MacLennan heeft hem zelfs vanuit Maprik een draagbaar bandrecordertje meegegeven, omdat hij vernomen had dat Fred Gerrits een bepaald traject zou afleggen, waarbij de kans reëel was dat hij dat klankrituleel tegen zou komen. Fred Gerrits heeft inderdaad in de beginjaren ’60 enkele keren dat klankritueel voor Robert MacLennan op dat bandrecordertje vastgelegd. - Toen nam Fred de spreekbeurt volop over: “Dat was inderdaad geen zachtzinnig kattespelletje wat ik die Papua’s daar met die sago-kevers zag doen, die ze eerst in een sagopalm hadden gevangen. Die insecten variëren nogal in grootte. Je hebt er van een centimeter of tien-twaalf, maar voor dat klankritueel gebruikten ze enkel maar de kleinere soort van een centimeter of twee-drie groot. Zo’n gevangen diertje werd daar zomaar een halve poot afgerukt. Achteraan hebben ze halverwege een extern kniegewricht zitten en als die op het scharnier wordt afgebroken, is er in het bovengedeelte van hun poot een holte zichtbaar, waarin ze dan een vlijmscherpe bladsteel of een houtsplinter of zoiets fors indrukken, zodat die kevers ongekend geagiteerd worden van de pijn. Als zo’n bladsteel er diep genoeg wordt ingedrukt, dan kan zo’n kever niet meer  wegvliegen als een papua hem aan het andere einde van de steel vasthoudt. De kevers worden verschrikkelijk agressief en kunnen zeker niet meer met de hand worden vastgepakt zonder dat iemand wordt gebeten. Ze tieren en vliegen met hun vleugels opgejaagd in het rond, maar ze kunnen niet meer van die bladsteel loskomen. Door hun agitatie hoor je constant een doorgaande bromtoon, en daarvan maken die papua-mannen juist gebruik door de kevers zo dicht mogelijk bij hun getuite mond te houden, zodat ze net als bij het mondharpspelen, boventonen hoorbaar kunnen maken waaruit dan een zacht soort melodietje tevoorschijn komt.”

 

 

 

 

Mahisu, lid van de Wam-papua’s uit Arisili in het Dreikikir District van East Sepik
(foto: Robert MacLennan, 1963)

 

 

B E L U I S T E R     B O V E N T O O N M U Z I E K    K E V E R S

In totaal ken ik maar twee verschillende opnamen van papua’s die
met levende sagokevers boventoon muziek maakten
.

 

1. Sago Binatang
Mahisu behorend tot de Wam-stam uit het dorp Arisili in

Dreikikir District in East Sepik. Ik heb de indruk dat het een opname is,
die Fred Gerrits in 1963 in opdracht van Robert MacLennan heeft gemaakt
.

 

Luister naar YouTube:
https://www.youtube.com/watch?v=ES414PwyRKw

 

2. Fut mwag
2/ Kabyo (zoon van papua Nuwa) heeft de kever met een poot vastgebonden aan een strootje en hem dan voor zijn geopende mond gehouden. De kever probeert weg te vliegen wat niet lukt. De kever zorgt voor de doorgaande toon waarvan Kabyo probeert de harmonische reeks hoorbaar te maken. Wordt gedaan door jongens en door adolescenten als afleiding. - Opname 1971, Bernard Juillerat, bij de Yafar-papua’s in het Amanab
District in West-Sepik.

 

Luister naar Centre de Recherche et Ethnomusicologie:

[aanklikken rechtervenstertje op website]
https://archives.crem-cnrs.fr/archives/items/CNRSMH_E_1996_013_001_002_033/dc/

 

 

Later kreeg ik zo’n geprepareerde sagokever als geschenk van Fred Gerrits per post opgestuurd. Het contact dat ik met Robert MacLennan nadien ten eerste aanhield, was erop gericht dat ik de geluidsopname van Mahisu en zijn sago-kever op mijn tweede CD wilde plaatsen die ik in 1999 met een aanal gastmusici uitbracht onder de titel «Muziek en het Verdrijven van Gedachten / Music and the Dispel of Thoughts».

 

Een sagokever uit East-Sepik (foto: Izz van Elk, coll. Ph. Bakx)

 

MacLennan gaf me toestemming de opname te gebruiken. Hij schreef terloops dat John Peel destijds in 1970 voor de opname op zijn LP «Archive Things», hem géén toestemming had opgevraagd, iets wat men toch wel mag verwachten van een persoonlijkheid met zo’n wereld­naam. Robert MacLennan zei me toe dat hij mijn CD alleszins naar de zoon van Mahisu in hetzelfde dorp Arisili zou brengen als aandenken voor hem aan zijn vader, die al geruime tijd niet meer leefde. Daarna zou het e-mail contact tussen Robert MacLennan en mij in hoofdzaak nog gaan over de uitgebreide documentatie en overige veldopnamen van zijn hand, zoals van de mondharpspeler Menabepf, behorende tot de Okspamin-stammen van Telefomin en Tekin Valley. Die opnames vormen dan ook het hoofdaandeel voor de recentelijke radio-uitzending van «Musique du Monde» van Michel Goedart als permanente cloudstream vanuit Bruxelles op internet. 

 

 

 

Robert MacLennan’s veldwerk was eerder al op 1 april 2002 aan bod gekomen in een aflevering van VPRO’s «De Wandelende Tak», waar ik met Walter Slosse een selectie maakte uit vertalingen van Papua-liede­ren die MacLennan destijds bij de Oksapmin-, Iatmul-, de Wam- en de Abelam-Papua’s van East-Sepik op band had gezet.

 

Phons Bakx en Walter Slosse, 1 april 2002, VPRO-studio Radio 4, Hilversum (foto: Maricée Ten Bosch)

 

 

 

 

 

De speciale mondharpen op Papua Nieuw Guinea

In de verspreiding van mondharpen over de hele wereld is ten eerste een opdeling moegelijk in mondharpen van metaal en mondharpen gemaakt uit hout. Binnen die tweedeling is er zeker nog sprake van grote verschillen tussen de houten exemplaren. Een bijzondere wereldreputatie kan worden toegekend aan de ‘génggong’ van Bali, maar zeker ook aan het oeroude type van Nieuw Guinea, die onderling al bijna niet meer te vergelijken zijn. De mondharpen die op Nieuw Guinea gemaakt worden en bespeeld, beantwoorden zeker aan een prehistorische speelmethode, die daardoor een heel eigen geluid voortbrengen. In deze aflevering van «Musique du Monde» komt een speciaal mondharptype onder de aandacht dat weer zijn afwijkingen heeft tot het algemene type, namelijk dat het zich bij aanslag ook bedient van een kort ratelgeluid. De ratelmondharp is ongeveer 40 cm in lengte, terwijl de gangbare typen elders uit de binnenlanden misschien de helft of meer korter zijn dan dat. Ook wordt de ratelmondharp, zoals de gangbare juist wel, niet door een koordje bediend. In  1963 reisde Robert MacLennan door een gedeelte van de Western Highlands, waar hij te maken kreeg met een uitermate geroutineerde mondharpspeler Menabepf.

 

Menabepf on a oblong bamboo Jew’s harp (= Turbei) , striking it by his fist
(photo: Robert MacLennan, 1963)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1963 Robert MacLennan went into the Central Highlands and there he made field­recordings among the Oksapmin-tribes, that live near the locations of Tombiam and Telefomin. From this period dates a bunch of special recordings of a man who played on a bamboostripped Jew’s harp. The player is called Menabepf. – His music will be the main subject for this radioprogram. - Later on, in 1973, Robert MacLennan made recordings in Tekin Valley near a Baptist-mission, on different types of music, but also some recordings of the very brilliant Jew’s harp player Menabepf again.

.


 2. What is a Jew’s harp?  [Qu’est-ce qu’une guimbarde?]

 

The Jew’s harp is a worldwide spread mouth-instrument. It has quite an old age, and that’s to say, that Jew’s harps in Europe were made out of iron and steel. The oldest specimens of Europe date from the twelth century as a instrument of popular music. A fact is that the metal Jew’s harp is not a very easy instrument to play. It is based on the fact that a player should make a range of harmonic sounds out of one strip of vibrating steel, that in fact produces just òne tone. What makes the instrument special, is the fact that the player makes audible the overtones that are hidden into the only single drone-tone.

In the world and cultures of the Far East, and special in the “old-equatorial world”, there is still an older Jew’s harp type to be found. In stead of several types of iron and metal, the people will cut them in a special way out of a bamboo stem or out of the wood of palmtree. In the West it is generally obtained that the Jew’s harp, because of its simple organology, never has been regarded as a full-worth instrument for making music, nevertheless the fact that the music on a pentatonic scale of overtones, completely is hidden in it. In the Far East and in the old-equatorial societies, the Jew’s harp is always be intended as an instrument of speech, that means, that a player is able to speak an own vocabulary through the resonances that a Jew’s harp will make.

 

For the topic of this episode, I will give attention to a certain part of the “world of animism”, that always has been involved with Jew’s harp sounds, especially because of the pronoun­ciation of overtones throughout this instrument. Animism has to be explained as a cosmogonic believe of the people living in the old equatorial world. It is said that the speech of overtones made by Jew’s harps, is able to infiltrate the world of spirits in nature. That is why the playing on a Jew’s harp will be addressed to treespirits, birdspirits or to reptile- and snakespirits, that will give the young initiates a certain protection. Young people will be teached about these aspects of the supra nature. They will be teached how to make a Jew’s harp from bamboo, and they will also learn on which kind of protection spirit they have to direct themselves.

 


3 Menabepf: myth and nature on the Jew’s harp

Player: Menabepf  (Oksapmin-tribe member from East-Sepik).
Recordings made in Tombiam, on 30 July 1963

 

Menabepf is a Jew's harp player from the Oksapmin-tribe living in the Western Highlands of Papua Niu Gini. He plays on a very long sized Jew's harp, which is uncommon in the geographical spread of the bamboo Jew’s harp all over Niu Gini. Its length is near 40 till 45 cm. When the oblong needle-shaped reed inside the Jew’s harp oscillates, it will easily hit the insides of the parallel frame-bridges. This causes a rattling sound, which can be heard in every beat that is made on the Jew’s harp. It seems that the papuas appreciate this accompanying percussion noise while playing.

Another feature of this oblong rattle-Jew's harp, is the way how it is struck by the player. The fist of the players hand has to beat firmly against the lowest part of the Jew's harp, so that in the upper part the lamella will oscillate.

 

Menabepf belongs to the tradition of Jew's harp players that will use the Jew's harp as an “instrument of speech”. He uses a very unique repertory of articulation sounds, that he constantly will repeat within his mouth-cavity.

What the Oksapmin recite on Jew's harp, may even be unusual to any other papua Jew's harp tradition, except the Usurufa-tribes in the Central Highlands. In their recitations they will reflect the aspects of the surrounding nature into an idiom of combined mouth-, guttural- and respiration-sounds. These sounds are transposed into an unseen “world of harmonics”, that will be made audible by the Jew's harp. At the same time the speech will be masked by the Jew's harp.

 

During his residence among the Oksapmin in 1963 and 1973, Prof. emer. Robert MacLennan has discovered that the result of all these individual Jew's harp idioms, alternately correspond to Oksapmin-myths. It was the plan of Robert MacLennan to return in 2002 to the forest of Niu Gini, and make recordings on all the different accounts and stories told by the Oksapmin, that will give a feedback to their Jew's harp idioms.

An ineluctable aspect of the playing of Menabepf, is his effective rousing of self-trance: as a turning spiral of sound, his music will move inward the listener. - In the Oksapmin area the Jew's harp is a major instrument to their culture, known as the Turbei.

 

 1. Track 2: Pikinini diwai - 0’00 – 2’38 (158 sec.)

Menabepf is repeating the sound motives on the Turbei from a White Cuckatoo, who is sitting beside the bank of the Om-river, and is collecting and eating treefruits calling “Pikinini-diwai” - His birdcall is repeating the sounds “Boo-ray-bon, boo-ray-bon, …. ” and that is the birdcall that you will hear continously in Menabepfs diction on his rattle-Jew’s harp. Robert MacLennan is certain that there is not a special embedded colloquial in the Jew’s harp playing when Menabepf is making his birdcalls.

 

 2. Track 3: Watena  - 0’23 – 1’17 (54 sec.)

The next sound fragment is about a “watena”, a bird from the forest which eats worms coming out from the ground, while he is walking through the forest. The way the Watena- bird is walking, is like in the rhythm of “Dwa-dwa-dwa-dwa-dwa….”, which also is repeated in the vocabulary on the Jew’s harp by Menabepf.

 

 3. Track 4: Kui-yai-talk – 0’10 – 0’58 (48 sec.)

This is the call on a Jew’s harp adressed to the women, asking them if they would like to come to the garden for a meeting.

 

 4. Track 5: Koi-ya-raku – 0’00 – 1’07  (67 sec.)

Again is this short piece the cry of a bird. While playing, the pronounciation of “koi-ya-raku” changes slowly into another sound pattern of “ari-yaku”.

 

 5. Track 6: Frugu-Frugu-Frugu – 0’16 – 1’04 (48 sec.)

A mythical soundtheme on a vernacular snake, that Menabepf was taught by his “tumbuna” or his grandfather. Menabepf says that this piece on the Jew’s harp really got the girls in.

 

 6. Track 7: Title unknown 0’09 – 1’00 (51 sec.)

About the next theme on the rattle-Jew’s harp, Menabepf doesn’t know the meaning or the context of it, but anyway, he has learned it from his grandfather when he was a boy. 


 7. Track 8 – Coki long hap long forramin – 0’24 – 3’00 (156 sec.)

Two cuckatoo’s are sitting in two different trees, one is sitting near, the other one is sitting quite a distance further, and have a distant communication to each other.

 

 8. Track 9 – Djew-froppa, Djew-froppa – 0’15 – 1’05 (50 sec.)

This is about a black cockatoo who is sitting in a high tree very near a bank at the Om-river. The Om is a very twisty riverstream that flows about 40 kilometers west of the Maprik District in the province of East Sepik in Papua Niugini. 

 

 9. Track 10 – Gu-gu-phara-gog, Gu-gu-phara-gog – 0’09 – 0’56 (47 sec.)
Here the Jew’s harp playing is about a frog that lives underneath several stones, and the frog will make this kind of noise. 

 

 10. Track 11 – Two pieces unknown on rattle Jew’s harp
                                                                                
– 0’07 – 2’18 (131 sec.)

…..that are recited by Menabepf and recorded at Telefomin, 1963

 

 11. Track 12 – Wanpela binatang diwai bonara  - 0’37 – 3’32 (175 sec.)

A piece about a solitary insect called ”Bonara”, that lives in a black palmtree, and that is eating the leaves of the palmtree. The insect makes sounds that now and than are loud, alternating with mellow sounds, on and on. The insect is not familiar to the area where the Oksapmin lives.

 

 12. Track 13 – Ubarak  - 0’07 – 1’42 (95 sec.)

“Ubarak” is the vernacular name of a bird native to the borders of the Om-River in East Sepik. You clearly hear the imitations of the bird cries.

 

 13. Track 14 – Fungoy and Kasen – 0’10 – 1’18 (68 sec.)

These ar the names for two different waterstreams that run throughout Tekin Valley. The water is murmeling because of the countless stones that are lying in the streams. From this streamsound Menabepf makes an onomatopoeia and put that into diction on his Jew’s harp.

 

 14. Track 15 – Theme on Jew’s harp in Telefomin – 0’07 – 1’03 (56 sec.)

These fieldercordings were made in another Province, namely in Sandaun or West-Sepik

Make a combination into òne track:

 15. Track 16 – Sampela hap tingting pelongin – 0’10 – 0’56 (46 sec.)

       Track 17 – 0’05 – 0’52 (47 sec.) These both parts on the Jew’s harp have
         no good story to explain.                                                           (together: 93 sec.)

 

 16. Track 18 – Boo-ray-bon, boo-ray-bon…. – 0’00 – 0’51 (51 sec.)
Repeated themes of the birdcall “Boo-ray-bon, boo-ray-bon….”, made by the White Cuckatoo.

 17. Track 19  - Unknown info on this theme  – 0’00 – 1’13 (73 sec.)

 

 18. Track 20 – “Dwa-Dwa-Dwa…..” Watena-bird – 0’07 – 1’29 (82 sec.) 
repetition of Track 3,  only now into another pitch

 

4. Recording session of Memabepf 10 years later
by Robert MacLennan in Tekin Valley, at a Baptist missionpost, on 1 August 1973

 19. Track 21: Menabepf (improvisation) 0’29 – 2’35 (126 sec.) –

 20. Track 1:   Menabepf (improvisation) 0’00 – 3’56 (236 sec.)

 21. Track 23: Menabepf (improvisation)  0’11 -  4’48 (277sec.)

 

3/4  all Menabepf recordings on Jew’s harp …
            all together 35 min. 42 sec. (2142 sec.)

 


5. MacLennan’s fame in ethno-musicology

There are at least three fieldrecordings that made professor emeritus Robert MacLennan famous as a fieldrecorder in the world of ethno-musicology.

 

22.    Track 26 : Bamboo flutes Iatmul-men  0’59 – 2’19 (80 sec.)  

23.     


It was a very honourable fact for Robert MacLennan that one of his fieldrecordings of the Iatmul-people has been put by the NASA on the so-called “Golden Record” of the spacecrafts of Voyager 1 and 2, that were launched in 1977. The ‘Golden Record’ is a longplay phonograph-disk containing sounds, music and images, with the intention to depict the diversity of life and culture on the planet Earth. The record is travelling along in the two spacecrafts far away out of our solar system. The next MacLennan’s recording of sideblown bamboo flutes without fingerholes, can also be heard at a distance of about more than 17 trillion kilometers from the sun, as a soundmessage from our planet to extra-terrestrials. Let’s listen to an shortened version of four Iatmul-papuas playing on these sideblown bamboo flutes, coming in a interlocking structure together of ‘one tone, one player’.

 

 23.  Track 18 (on music-CD Phons Bakx) :

23.    Mahisu on the Sagobeetle [1’52 / 112 sec.] 

There is no need to designate the next instrument as a parallel to the Jew’s harp, but it approaches very close the humoristic idea of a ‘living Jew’s harp’. The (rather cruel) sound principle has been observed by the Dutch–Australian physician Fred Gerrits, who in the 1960-ies worked for the World Health Organization. Dr. Gerrits was asked by Robert MacLennan to make recordings of this very rare sound ritual, whenever he finds it on his way through the bush of Papua Niu Gini. MacLennan offers him a taperecorder for this purpose. Dr. Gerrits has recorded several sessions among the papuas, in which they used the buzzing of a living beetle in stead of a Jew’s harp. Fred Gerrits explained to me the principle of the organology of this ‘living Jew’s harp’ as next:

A tribal member will catch a number of beetles in the palmtrees. This beetle can be in the length of 10 till 15 cm from tip to tail, but the one we will hear, is a very small one. But the beetle is very aggressive and dangerous to catch it by the hands. When tribal members wants sago-beetles for use during a sound-ritual in a group, they'll aggravate the state of agitation of the insects by breaking off the half of one of their hind legs. They put in a very sharp wooden palm sliver right into the open external hinge-joint of the insect. They fix the beetle tight as possible, so it cannot fly away. The harmful agitation causes the beetle to buzz very loudly in a non-stopping drone. Than the men carefully will bring the buzzing beetles near to their pursed lips, and try to make audible clear harmonics in their mouth cavity on the drone sound. In the next we hear the single papua-man Mahisu playing on his sagobeetle. A very rare but also famous MacLen­nan-recording from 1963, made in the village Arisili in the Dreikikir District of East Sepik.

 

 

24.        Track 24 -  Iatmul slitdrums of Middle-Sepik River (3’32 / 212 sec.)

25.   

26.           Iatmul drummers (YouTube/worldmusicxx)

Two Iatmul-players on a slitdrum: a hollowed out section of a tree that lies on the floor. The players play in different broken rhythm patterns, and try to support each other by making the ruthm very powerful. They don’t beat their wooden drumsticks like as usual flat on the drumskin, but they use the flat end of their sticks, beating it up in a vertical way, hitting the wooden parts of the slit drum. The beatings are meant for rituals among men when they are making skincuts in their arms and bodies. The recording was made by Robert MacLennan in 1963 at the Iatmul-village Kanga Naman, at the northern border of the Middle Sepik River.

 

 

 

5/MacL

Opnamen van Robert MacLennan uitgebracht op grammofoonplaat by Musicaphons/ Bährenreieter  (Bazel)


6. Other fieldrecordings by Robert MacLennan

Beside the recording work at the locations of the Oksapmin, Iatmul and Wam-tribes in East-Sepik in 1963, a year before Robert MacLennan has visited the Abalam-tribes and the community of Avatip in East-Sepik.

 

 25. ABELAM CD 2 track 5

      Minjapi-consort (0’00- 2’20 = 140 sec.)

The next ritual song is done by a “minjapi”-consort of ‘globular flute’-players, belonging to the Abelam-tribe in the village Apangai in the Maprik district. Two globular flutes are heard, made of a dry fruit with holes in it, similar to an ocarina. Then a third one come in and which is a third higher at pitch. Than at last a fourth comes in which is the highest of pitch. All the flute players make use of the “one person, one tone”-interlocking structure. It seems that they are imitating a group of birds coming together.

 

globular flute

 

 26. MENABEPF CD track 25

      Mouthbow from Avatip  (1’14 - 2’10 = 54 sec.)

The community of Avatip has grown out to a number of 1300 people and they are the neighbours of some Iatmul-tribes. The place is build at that point where the small stream Amoku is coming into the mainstream of the river Sepik. Avatip has a diversity of economical productivity, such as the agroculture of sago-palmtrees and yams, hunting grounds, and there is also a production of woodlogging for building purposes.

- From Avatip  we hear a mouthbow that is 2 meters long in size and that is bridged about somewhere in the middle, to make the string higher in pitch. The string is struck by a wooden stick. The bow is held on end very near to the mouthcavity of the player. There are some similarities in using harmonical techniques such as at the Jew’s harp, but the harmonical system itself differs a lot. The reason for this difference exists in that a mouthbow has two points of tighten the string, while a Jew’s harps has just one point of tighten the reed, known as the principle of the “free reed”.

 

 

 

 27. MENABEPF CD track 26

      Bamboo pan-flutes consort, Iatmul  (2’21 – 3’45  = 84 sec.)

The most important instrument for the Iatmul-people near the Sepik river, are sideblown bamboo flutes.

 

 28. MENABEPF CD track 26

      Wooden trumpet, Iatmul  (3’49 – 5’17 = 88 sec.)

Bamboo trumpets have a lower pitch than the sideblown flutes and panflutes of the Iatmul. We can hear a trumpet player that is making a kind of melody in the natural scale of the trumpet and his embouchure. He is accompanied by a simple percussion.

 

 29. MENABEPF CD track 27

      Globular flute, two wooden trumpets,
      hourglass drum
(1’01 – 2’50 = 109 sec.)

A consort between two or more trumpet-players and a frame drum by Wam-people of the Maprik District in East Sepik. They trumpets have the size of one-and-half meter in length.

A Robert MacLennan-recording from 1963.

 

 

6/Other fieldrecordings Robert MacLennan…
           time
all together: 7 min. 55 sec. (475 sec.)

 

music: totally 50 min. 21 sec.

 

 

 



 

IVM Fred Gerrits (1931, werkend als WHO-arts

Foto gallery

Previous

Next

The exhibition

37 unpublished photographs of Dadi Wirz will be displayed at the Heleneumfrom the 6th of July to the 9th of September 2012. These photographs are part of a collection of over 800 negatives, which were taken during his travels in Papua New Guinea between 1952 and 1955. They are now stored in the museum’s Documentation and Research Centre.This integrated project presents the public with a fascinating reportage and the synthesised results of a larger project. 

The temporary exhibition is in fact accompanied by the publication of Fred Gerrits’ book, entitled The Haus Tambaran of Bongiora. This book will be the fourth issue of the “Antropunti” series and explains the results of a long-term research project which Gerrits started in 1972, and conducted with the help of his wife and a group of leaders of the Abelam villages Bongiora and Kuminibis in Papua New Guinea. They devoted their research to the ideological system which intimately connects ceremonies and traditional art, and documents the historical last moments before a man’s death. 

In the next few years the Museo delle Culture will continue its research on the work of Dadi and his father Paul Wirz (1892-1955), who was perhaps the most important Swiss anthropologist of the 20th Century. Paul Wirz explored the reasons behind the creativity of a number of Oceanic and Indonesian peoples, by using modern anthropological tools. The Museo delle Culture will collaborate with several other prestigious European and American partners, who all share the Wirz’s cultural and material heritage.

 

Fred Gerrits

Fred Gerrits was born in 1933 in Bandung, in Indonesia. After graduating with a degree in medicine in Holland, he settled in Papua New Guinea in the 1950s, where he met his future wife Nel. As of 1964 the Gerrits worked in various hospitals, until Fred was appointed as the Tuberculosis and Leprosy Control Officer for the provinces of West and East Sepik, with a base in Maprik at the foot of the Prince Alexander Mountains. In beginning of the 1970s, the Gerrits’ interest in anthropology and photography encouraged them to conduct a systematic collection of evidence. Thanks to their long stay in the area, they were able to study regions of intense artistic and thematic vitality hitherto little known. After having moved first to Kenya and then to Nepal, the couple now lives in Australia, where Fred worked until his retirement as a consultant for international health organizations operating in Southeast Asia and the Pacific.

Dadi Wirz

Dadi Wirz was born in 1931 in Papua New Guinea.  He spent his childhood and youth on a constant pilgrimage in the South Seas with his father Paul Wirz (1892 – 1955) who travelled thoughout the world for his research. After studying photography in Basel and Paris, Dadi Wirz moved to Brazil in search of creative stimuli.  After the death of his father, he returned several times to Papua New Guinea to conduct ethnological research and especially to capture with his camera a world that he felt was seeing its last days.  Since the 1970s Wirz has lived first in Morocco, then Portugal and England, devoting himself to his versatile artistic passions: engraving, painting, sculpting and photograpy.  In addition, he has taught at the Schule für Gestaltung in Basle, the Ecole du Louvre in Paris, the Rhode Island School of Design in Providence (USA), the Museu de Arte Moderna in Rio de Janeiro and at many other universities.

Antropunti

“Antropunti” is the multi-purpose medium of the museum’s projects and its scientific, educational and promotional activities. It is a sort of modern medley of all anthropological and artistic ideas, reflections and research. The series presents texts and images in printed, audiovisual and multimedia formats, and is divided into five thematic sections that document the various areas of the museum’s Activity System: the “Atti” (Proceedings) display the outcomes of seminars and higher education activities; the “Documenti” (Documents) present the current research projects and their results; the “Guide” (Guides) offer guided tours and insights into the museum’s collections; the “Parole e suoni” (Words and Sounds) section hosts volumes of fairy tales, myths, stories, songs and other forms of narrative and poetic expression of the traditional cultures; the “Strumenti” (Tools) are educational and informative publications that specify the museum’s technical and operational activities.

 
Woordenboek - https://glosbe.com/tpi/en

 

MENABEPF
Oksapmin-tribe, Tekin River Valley, Western Highlands, Papua Niugini

Menabepf is a Jew's harp player from the Oksapmin-tribe in the Western Highlands of Papua Niugini. He plays on a very long sized Jew's harp, which rather is uncommon in the geographyical spread of the bamboo Jew's harp. Its length varies in size from 38 till 40 cm (see photo below).

When the oblong needle-shaped reed oscillates, it will be easy that it hits somewhere the insides of the two parallel frame-bridges. This causes a rattling sound, which can be heard in every beat that is made. It seems that Papuas appreciate this accompanying percussion(noise) when playing.

Another feature on this oblong Jew's harp, which actually can not be regarded as the feature for a rattle-Jew's harp, is the way how it is struck (see photo below). The fist of the hand has to beat firmly against the lower part of the Jew's harp, so that the lamella will oscillate.

 Menabepf belongs to the tradition of Jew's harp players in the world that will use the Jew's harp as an instrument of speech. He makes use of a very unique repertory on articulation sounds that he will repeat constantly through his Jew's harp. What Oksapmin-men recite on Jew's harp, may even be unusual to any Papua Jew's harp tradition (maybe with the exception for the Usurufa-tribes in the Central Highlands). They reflect several spiritual aspects of the surrounding nature into an idiom of combined mouth-, guttural- and respiration-sounds. These sounds are transposed into a "world of harmonics" by the Jew's harp. At the same time they are masked by the Jew's harp.

During his residence among the Oksapmin in 1963 and 1973, Prof. Emer. Robert MacLennan has discovered that the result of all these individual Jew's harp idioms alternately correspond to the Oksapmin-myths. In near future Robert MacLennan would like to record all the different accounts and stories told by the Oksapmin-men that will give feedback to the Jew's harp idioms.
An ineluctable aspect of the playing of Menabepf is his effective rousing of self-trance: as a turning spiral of sound his music will move inward the listener. - In the Oksapmin area the Jew's harp is a major instrument, known as
 Turbei.

for information, e-connect Antropodium (ed. staff)

 


Nr 21. Mhpspeler is uit Tekin opname 1973, waarschijnlijk geen Menanbepf

Nr. 1 is ook geen Menabepf, maar speler in de missie post van Tekin / opname 1973

Nr 2. is Menabepf, speler op de Turbei, oblong type of ratelmondharp van pakweg 40 cm lengte
opnames gemaakt in 1963 locatie:

 

The Wam leven in het noordwesten van het adminstrtarie centrum Maprik.

Er worden in heel het gebeid van Maprik feitelijk mondharpen ghespeeld en de instrumenetn hebben er een amusementsbetkenis, en niet zozeer in de rituele context.
MacLennan maakte dan welopanmen van een gehele ander orde waar het gebruik van mondharpen aangaat. Door stammen in Oksapmin hoog in het gebergte en niet ver van de officiele grens met West Papua Irian Jaya, het vreogere nederlandse deel van West Papua Niuw guinea. Opnamen door MacLennan gemaakt in 1963 van de speler Menabepf in de Tekin River Valley . Dat instrument is langwerpig, haalt de 40 tot 45 cm en het instrumnet heeft een lamel die aan het rtillen wordt gebracht doordat de speler met de achterzijde van zijn hand tegen de eindbasis vanm het houtframne aanslaat, iets heel ander dan de melansesische mondhraptypen van kleiner formaat die altijd met een koordje worden aangetrokken, en die ook geen gesloten frame hebben. Onder de Okspamin is de mondharp een van de belangrijkset instrumeneten of speech. MacLennan ontdekte danm ook dat de gespeelde stukken eigenlijk allemaal een verwijzing in  zich dragennaar een grotere mythisch cpmplex. De delen zijn feietelijk kleine veretellingn emt een of ander mythisch centraal ondwrep, veelal dieren, De indiviuele afonderlijke stukken corresponderen met bestaande mythen, die door d emondharp in een iegen taal worden verteld. Het lag in MacLennans bedoeling om later tereug te keren naar de Okspamin om daar de realteis duidelijk te keijgen tussen de gespeelde stukken en wat men in feiet over zo’n fragment kan vertellen.

In 2002 was Robert MacLennan weer ibij d Oksapmin om helderheiod te krijgen over de vaak voorkomende huidaandodningen bij mannen, die te vaak en te dicht bij hun houtvuren sliepen en als het ware een soort van gesmolten beenhuiden eraan over hielden. Het is een logisch gevolg van de koude op 2000 meter hoogte en de huizen die hen niet voldoende warmte bieden, vooral in de nacht.

De tradituionele mondharp schijnt op de lokatie Ok Tedi te zijn verdwenen, nog voor 1980 waar toen ook een koper en goudmijn volop werd geexploiteerd. De modnharpen (Turbei) worden nog wel in hetv weste van de Oksapmin streek egspeeldm, met name in Telefomin. De navraag v an de betekensissen en de corrspondneties naar bestaande mythen en hert maondhapspele is geen eebvdsouig nazoekwerk . als medicus had hij veel verschilelnd etaken te volbrengen in steeds verschillende distruiicten van East-Sepik, en daar door kwam het vaak genoeg voor dat hij niet aan veldopanems toekwamn. Maar ook had hij veel last van Hepatitis B, een zieket die hem langdurig in zijn greep hield en waar hij op den duur ook aan kwam te overflijden.

 

 

 

Oksapmin-tribe, Tekin River Valley, Western Highlands, Papua Niugini

Menabepf is a Jew's harp player from the Oksapmin-tribe in the Western Highlands of Papua Niugini. He plays on a very long sized Jew's harp, which rather is uncommon in the geographyical spread of the bamboo Jew's harp. Its length varies in size from 38 till 40 cm

When the oblong needle-shaped reed oscillates, it will be easy that it hits somewhere the insides of the two parallel frame-bridges. This causes a rattling sound, which can be heard in every beat that is made. It seems that Papuas appreciate this accompanying percussion(noise) when playing.

Another feature on this oblong Jew's harp, which actually can not be regarded as the feature for a rattle-Jew's harp, is the way how it is struck (see photo below). The fist of the hand has to beat firmly against the lower part of the Jew's harp, so that the lamella will oscillate.

 Menabepf belongs to the tradition of Jew's harp players in the world that will use the Jew's harp as an instrument of speech. He makes use of a very unique repertory on articulation sounds that he will repeat constantly through his Jew's harp. What Oksapmin-men recite on Jew's harp, may even be unusual to any Papua Jew's harp tradition (maybe with the exception for the Usurufa-tribes in the Central Highlands). They reflect several spiritual aspects of the surrounding nature into an idiom of combined mouth-, guttural- and respiration-sounds. These sounds are transposed into a "world of harmonics" by the Jew's harp. At the same time they are masked by the Jew's harp.

During his residence among the Oksapmin in 1963 and 1973, Prof. Emer. Robert MacLennan has discovered that the result of all these individual Jew's harp idioms alternately correspond to the Oksapmin-myths. In near future Robert MacLennan would like to record all the different accounts and stories told by the Oksapmin-men that will give feedback to the Jew's harp idioms.
An ineluctable aspect of the playing of Menabepf is his effective rousing of self-trance: as a turning spiral of sound his music will move inward the listener. - In the Oksapmin area the Jew's harp is a major instrument, known as Turbei.

 

 

 

 

 

 

 

 

Menabepf on a oblong turbei (rattling bamboo Jew’s harp),
striking it by his fist (photo: Robert MacLennan, 1963)

 

MENABEPF

Dear Phons,
I am back in Australia, and plan to return to New Guinea in about 6
weeks from now. I have visited the Tekin Valley and have some video
of "turbei" (jews harp) playing by two old men. They are good, but less
so than Menabepf whom I recorded in 1963. However, I was able to get
more information on what was played, including local language names for
birds etc that are represented in the music. I have since had the birds
identified by men from the area using an illustrated guide to the Birds
of New Guinea.
  Next step is to send a copy of the sound to one of the
guide's contributors (Professor Jared Diamond of the UNiversity of
California) and ask if the identification is plausible given what he
knows of the calls of the particular birds. I am now confident that
there is no embedded language in the playing. =
Ik ben nu ervan overtuigd dat er geen speciaal ingebouwde taal bestaat voor het mhpklankspel bij deze papua’s - Best wishes,Bob. 5 n0v 2002

Menabepf  behoort tot de Oksapmin-stam die in de Centrale Hooglanden van Niugini leven. Hij woonde in het dorp Tomianap - MacLennnan bracht er in 1963 een bezoek en nam toen het spel van de houten mondharp op, die zij inheems Turbei noemen maar ook turbei. De turbei is een hele grote ratelmondharp. Opnames gemaakt in Tombian op 30 juli 1963. Hij speelt thema’s uit de natuur:iitatie van de witte kakatoo-vogel, die al roepende bij de rivier de Om is gaan zitten, terwijl hij daar het boomfruit pickaninny-dee-wai zit te eten. Hij roept dan: boo-ray-bon-boo-ray-bon. Hij geeft de klankimitatie weer van de Watena, een inheemse woudvogel van Sepik, die wormen uit d egrond trekt en opeet. Als de watena door het woud koopt dan wordt dat in het mondharpsle aangeduide met doo-py-dwa-dwa-dwa-dwa… enz.

 

6. Papua Niugini

Een opname van Robert McLennan van de speler Menabepf van de Oksapmin-stam. De speler gebruikt een houten ratel-mondharp van ongeveer 43 cm lengte die hij mij de rug van zijn hand aanslaat. Er zijjn  mij geegn gevens bekend wat hij speelet, maar de effecten die hij kreeert zijn buitengewone pracht.

 

 

DE MONDHARP in DE OUD-EQUATORIALE SAMENLEVING

 

Met Oud-equatoriaal wordt gedoeld op de oude, bestaande toestand van een maatschappij ooit voordat een westers onderzoeker of missionaris deze samenleving aandeed. Beter nog: zoals een primitieve samenleving in zijn oorspronkelijk vorm was rond de evenaar, in Azie, in de Amazone, in Polynesie, in Melanesie, Australie of in Afrika.

De aanduiding was er om een beschavingspeil van zo'n oude maatschappij te duiden, die de westerling nergens anders mee kon vergelijken dan met hetgene bekend was geworden van een Europese samenleving mens in het Stenen Tijdperk.

Ik denk zelfs dat de term het meest in zwang was om een beschavingspeil aan te duiden die

in relatie stond het snorrebot de rhombus. Een mondharp was daar vaak ook een afgeleide van. Sacraal waren de restricties voor snorrebotten en in mindere mate voor mondharpen.

 

Sir Edward Burnett Tylor, James George Frazer en A.C. Haddon waren belangrijke sleutelfiguren in de negentiende eeuw die meer en meer een theoretische basis legden voor

de etnologische wetenschap van die tijd, want zij legden structuerele theorieen

aan over de inhoud van zo'n primitieve maatschappij.

 

De mondharp is zeer beslist een klankinstrument dat betrekkingen heeft met het baschavingsniveau dat hier wordt aan geduid als het oud-equatoriale. Het instrument is in Europa altijd al een ondergeschoven kindje geweest, maar kan beroepen op steeds oudere vormen die teruggevonden worden in Azie. We kennen de metalen mondharp maar de oudere vormen van de mondharp bestaan uiteraard uit hout, bamboe of botsplinters.

 

Het instrument in zijn oud-equatoriaal verband is het sterkst gelieerd aan de natuur en

wel aan de biotoop van grassen, van insecten, kevers, kikkers en vogels.

Daarbij komt ook nog het ritueel van het hofmaken als steevast onderdeel in het

mondharpgebruik in deze samenlevingen van rond de evenaar.

 

De mondharp is bekend als een instrumnet dat een volwaardige zang oplevert, althans als het om de avanceerde instrumenten gaat. Het is per definiitie een boventooninstrument , en de speler moet het instrument op verschillende manieren aantokkelen.

Directe aanslag gebeurt met de metalen mondharp, met een koordje is meestal het principe van een ouder instrument van hout. Maar er is op de wereld ook een type verspreid dat we moeten aanduiden met de voorlopersvormen van de mondharp.